De invloed van het gezin van herkomst op de werkplek

4 Burnificatie

'What's in a name'

In alle door mij gelezen boeken die burnout behandelen komt naar voren dat mensen met bepaalde persoonskenmerken extra kwetsbaar zijn om op den lange duur op te branden. Ik heb deze kenmerken naast de lijst met gevolgen van parentificatie gelegd. Het is opvallend hoe de beide lijsten overeen komen, hoe hoog aan de ene kant de eisen aan zichzelf zijn en hoe laag het eigenbeeld is. Dit lijkt een grote innerlijke tegenstelling, op een innerlijk uit-balans zijn.

4.1 Overeenkomsten

Een opvallende overeenkomst tussen de onderzoekers in de boeken ’Opgebrand’, ‘Preventie, ziekteverzuim, stress en burnout’, ‘Behandelingsstrategieën bij burnout’ en ‘Stress aan het werk’ is het grote belang dat toegekend wordt aan het verwachtingspatroon dat iemand met betrekking tot zijn of haar werk heeft.

Stevens & o’Neill hebben in 1983 aangetoond dat hulpverleners met hoog gestemde verwachtingen meer en eerder opgebrand waren dan die met een wat realistischer visie. Die visie is bepalend voor het te verwachten resultaat en niet voor gedrag, want zo zal de ene lerares het als een teken van interesse ervaren als er tijdens de les steeds vragen worden gesteld, terwijl haar collega het juist als desinteresse ervaart als er gepraat wordt.

Het niet bereiken van het verwachtte resultaat wordt dan ook vaak genoemd als oorzaak van burnout, bijvoorbeeld bij een therapeut waar cliënten wegblijven, of in de verpleging als er veel sterfgevallen zijn.

Het kunnen omgaan met tegenslagen en het zoeken naar nieuwe of andere oplossingen is een belangrijk en veelvuldig voorkomend werkonderdeel, vooral in de sociale sector. Geparentificeerden hebben hier, door hun gebrek aan autonomie en vertrouwen, juist moeite mee. Het verschil van handelen van een volwassene die als kind positief - of destructief geparentificeerd is, heb ik in de volgende voorbeelden aangegeven. Ik maak hier onderscheid tussen deze twee parentificaties, omdat het mijn ervaring is dat destructieve parentificatie en zijnsafhankelijkheid de grootste burnout risico vormen.

4.2 Positieve parentificatie

Als nieuwe therapeut komt een sterk gemotiveerd persoon met hoge verwachtingen in een stimulerende omgeving terecht, waardoor zij in staat is om goede prestaties te leveren. Ze heeft geleerd dat inzet beloond wordt en maakt gebruik van de stimulerende omgeving. Zij stelt hoge, maar haalbare eisen aan zichzelf en ziet een inwerkperiode als leertijd. Als het doel bereikt is ervaart zij een gevoel van succes, wat gevoelens van bekwaamheid en autonomie oplevert. Dit positieve gevoel versterkt weer de motivatie en de positieve cirkel kan opnieuw beginnen. Als het doel niet bereikt wordt, is dit niet direct een verlies van autonomie of een persoonlijke afwijzing, maar een uitdaging en leerpunt om het op een andere manier nog eens te proberen. Mocht dit ook nog niet de gewenste resultaten opleveren, dan zullen de verwachtingen worden bijgesteld, hulp gevraagd worden, of eerst bepaalde vaardigheden aangeleerd worden. Deze therapeut zal zich niet als mens afgewezen en mislukt voelen of te veel eigen vrije tijd aan het werk gaan besteden. Pas als deze cirkel meerdere keren een negatief resultaat heeft opgeleverd, zal deze persoon gedesillusioneerd en ten slotte eventueel in een burnout syndroom raken.

4.3 Destructieve parentificatie

Een andere therapeut die net zo sterk gemotiveerd in dezelfde stimulerende omgeving komt voelt al voor zij begint de druk om te presteren, waardoor zij met hogere verwachtingen begint en een eerste stressfactor is ingevoerd. Een inwerkperiode zal voor haar geen leerproces zijn, maar een eerste test voor het eigen handelen. Zij moet vanaf het begin uitmuntend presteren en zal fouten niet als leerpunten maar als mislukkingen en gevoelens van onbekwaamheid voelen. Zij ervaart haar eigen handelen al snel als falen in plaats van stimulans of uitdaging om het op een andere manier te proberen.

Deze persoonlijke mislukking brengt de oude leegte door gebrek aan erkenning en betrouwbaarheid en het grote verlangen hiernaar terug, het raakt de therapeut op een diep en oud niveau. Haar eigenwaarde en -beeld worden aangetast. Zij heeft nooit geleerd dat inzet autonomie op kan leveren, je je mag vergissen zonder te mislukken of dat een fout een (goed) leerpunt kan zijn. Door het vroegere tekort aan betrouwbaarheid denkt zij het recht op genegenheid of collegialiteit verspeeld te hebben, waardoor zij geen hulpbronnen aanspreekt en aangeboden hulp niet kan ontvangen en zal afwijzen. Zij trekt zich gekwetst terug en gaat het nog een keer alleen en op dezelfde manier proberen, zonodig in de eigen vrije tijd.

Omdat zij vroeger geleerd heeft dat het nooit genoeg was en niet andere oplossingen heeft geprobeerd, zal haar gedrag minder flexibel en probleemoplossend en aan de andere kant grenzeloos zijn. Deze persoon zal door de negatieve resultaten eerder gedesillusioneerd in een negatieve spiraal en in een burnout syndroom raken. Vooral door het eigen perfectionisme zullen goede resultaten niet als zodanig ervaren worden en positieve reakties van cliënten of collega’s niet ontvangen kunnen worden. De balans van geven en nemen is volledig uit balans en van een ‘dialoog’ is geen sprake, het is eenrichtingsverkeer.

4.4 De balans tussen geven en nemen

De zelfvalidatie die de eerste therapeut heeft opgebouwd doordat zij erkenning voor haar inspanningen heeft gekregen stelt haar in staat om haar grenzen te stellen waar zij dit nodig vindt, zonder bang te zijn afgewezen te worden. Zij heeft genoeg betrouwbaarheid ervaren en autonomie ontwikkeld om zich vrij in gebondenheid te voelen. Toch zal deze therapeut ook de nodige eigenschappen in het vorige lijstje herkennen. Maar zij heeft meer vertrouwen ontwikkeld, zowel in zichzelf als haar omgeving om haar ervaringen (parentificatie) op een positieve manier te gebruiken, zodat zij gepaste zorg kan geven en ontvangen en daarmee de dialoog aangaan.

De destructief geparentificeerde therapeut mist deze validatie en is steeds bezig over de eigen grenzen heen te gaan en anderen daarover heen te laten komen. Zij kan geen gepaste zorg geven of ontvangen.

Nagy zegt hierover:

‘De therapeut investeert echte zorg, competentie, vaardigheid en vertrouwen in ruil voor impliciete investering van vertrouwen door de cliënt in de therapeut. Wederkerigheid vormt de kern van hun contract en is in ruime mate voorhanden, echter nooit symmetrisch. De therapeut ontmoet zijn cliënt en laat van zichzelf zien dat hij ook een mens is.
Maar hij laat nooit in dezelfde mate als de cliënt zijn gekwetstheid zien en is niet van hem afhankelijk voor genezing. Therapie kan ogenblikken van echte ontmoeting tussen twee mensen voortbrengen. De mate van investering over en weer en het niveau van onderlinge verwachtingen zijn echter altijd ongelijk.’

zie literatuurlijst

4.5 Afstandelijke betrokkenheid

Zonder dat te willen vindt er bij de laatste therapeut een verstrengeling van beroep en persoon plaats. Mislukken als professional betekent falen als mens. Men probeert de vroeger thuis nooit ontvangen erkenning op de werkplek alsnog te innen. Hier wordt de oude rekening van thuis op de werkplek gepresenteerd. Dat maakt meteen duidelijk waarom deze mensen geen afstand kunnen houden, ze kennen en voelen geen afstand.

Het niet in staat zijn tot afstand betekent dat je zelf nog met een proces bezig bent, zelf op een bepaald niveau cliënt bent. Miller zegt hierover: ‘als je je eigen woede niet hebt geuit, dan sla je bij je cliënt ook die fase over’. Je bent in die situatie dus niet in staat je cliënt ten volle te helpen. Nagy zegt hierover: ‘Therapie zou verkeerd worden uitgeoefend wanneer iemand ongevoelig zou zijn voor andermans lijden’1.

Pas als je contact kunt maken met jezelf en je jezelf de moeite waard vindt, ben je in staat je open te stellen voor de problemen van je cliënten en kun je je cliënten de moeite waard vinden. Je kunt dan oprecht plezier beleven aan het zorgen voor anderen, omdat je in staat bent ook van die ander te ontvangen zodat de balans in een beter evenwicht komt.

Nagy schrijft in het boek ‘Tussen geven en nemen” het volgende:

‘In de ontwikkeling van een vertrouwensvolle
therapeut-cliëntrelatie zijn emotionele processen betrokken,
dus is het altijd mogelijk dat therapeut en cliënt emotioneel verstrengeld raken’.

 

Het is dus belangrijk zich van de overdracht en afhankelijkheid van de cliënt bewust te blijven als een goede en afstandelijk betrokken therapeut. Bij (destructief) geparentificeerde therapeuten kan er (te) veel betrokkenheid zijn, dat is indertijd een van de redenen geweest om dit beroep te kiezen.

Vooral in de verzorgende sector zal veel emotionele belasting voorkomen, dit roept intuïtief verzet op om de belasting te verminderen. Een manier om hiermee om te gaan is afstandelijke betrokkenheid, maar dat is juist zo moeilijk voor geparentificeerde mensen. Zo kan het gebeuren dat er in plaats van afstand cynisme ontstaat. Deze vorm van depersonalisatie kan een poging zijn de emotionele schade te beperken.

In ‘Opgebrand’ staat een onderzoek naar emotionele uitputting en burnout bij Psychologen en psychotherapeuten. Zij ervaren ook vaak gevoelens van depersonalisatie, maar hebben minder last van gevoelens van verminderde bekwaamheid. Zij investeren emotioneel veel en zien bovendien over het algemeen alleen hun mislukkingen terug. Het kan ook zijn dat scholing hier mee te maken heeft, hoe hoger de opleiding, des te vaker is er sprake van burnout. Dit zou te maken kunnen hebben met (te) hoge verwachtingen en de druk (stress) hieraan te moeten voldoen. Wellicht dat als reactie daarop zij een zelfbeschermende afstandelijkheid ontwikkelen die tot depersonalisatie leidt.

Verder is het opvallend dat vrouwen vooral emotioneel uitgeput zijn en mannen meer depersonaliseren.

4.6 De arbeidsomstandigheden

Soms zijn er duidelijke aanwijzingen over de oorzaak, als de leiding binnen een instelling niet goed functioneert, of de werkdruk is te hoog, dan is het duidelijk dat daar verandering in moet komen. Liggen de oorzaken inderdaad voor een groot deel op het werk, dan kunnen de onderstaande bestaande technieken helpend zijn. Om goed te herstellen van een burnout syndroom moeten een aantal fasen doorlopen worden. Als je deze fasen rond een cirkel plaatst wordt het duidelijk dat maatregelen noodzakelijk zijn om niet in een negatieve vicieuze cirkel terecht te komen, zodat het proces weer van voren af aan opnieuw zal beginnen.

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

In alle in de literatuurlijst genoemde boeken over stress en burnout staan interventiestrategieën, waarvan de meest voorkomende stresshantering, RET, ontspanningstechnieken, time management en communicatietrainingen zijn. Het is niet mijn bedoeling deze hier te bespreken. Deze technieken hebben hun waarde allang bewezen en zijn onmisbaar voor herstel en coping met stress en burnout. Wat ik wil proberen is vanuit de contextuele benadering hier iets extra’s aan toe te voegen, in ieder geval voor die mensen die het gevoel hebben dat de oorzaak van de ziekte niet alleen op het werk of in de maatschappij ligt maar ook met henzelf te maken heeft of zichzelf herkennen in het symptomenlijstje.

4.7 Contextuele benadering

Evenals andere mensen dragen contextueel therapeuten bedekte of openlijke elementen van destructief gerechtigde aanspraak met zich mee. Als zij echter persoonlijk verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor onbillijke vooroordelen en deze beginnen te verwerken, kan de richting van destructief gerechtigde aanspraak worden omgekeerd. De mate waarin elke therapeut zijn dilemma ten aanzien van destructief gerechtigde aanspraak kan onderkennen en ermee worstelt, kan hem toenemende kundigheid verlenen in het begeleiden van andere mensen die vastzitten in de pijn van vervreemding en gerechtvaardigde zelfverwijten. In contextueel werk zijn therapeuten verplicht te beginnen bij de achterlijn van hun eigen verantwoordelijkheid, net als ieder ander’.

zie literatuurlijst

Vanuit de contextuele gedachte kun je zeggen dat iemand pas kan genezen als hij in staat is te ontvangen, zodat de balans wat meer in evenwicht kan komen en een dialoog mogelijk is.

‘Echt ontmoeten is te vinden in verantwoordelijke zorg;
dat wil zeggen; in respect van therapeut en cliënt voor
elkaars welzijn en succes.
Deze verantwoordelijke bezorgdheid bepaalt de essentie
van de therapeutische ontmoeting’.

zie literatuurlijst

Iedereen die is opgebrand zal eerst moeten toegeven in een crisis te zijn beland, dat de grens tussen gezond en ziek zijn is overschreden, dat er hulp gezocht moet worden. Dit is dezelfde fase waarin de alcoholist, beseft alcoholist te zijn. Het kan helpend zijn om in therapie of in supervisie aan de balans te werken door naar het gezin van herkomst te kijken en een genogram te maken, waar je nadien een werkgenogram naast kunt leggen. Ben je een positief of destructief geparentificeerd kind, wat was je rol in het gezin, was je het oudste/jongste kind. En wat is je rol op het werk, voel je je geëxploiteerd, verantwoordelijk, ben je een bemiddelaar.

Nagy zegt:

‘Als een therapeut de moed heeft zijn eigen uitbuitend
gebruik van familieleden met wie hij een hechte band heeft,
onder ogen te zien, kan hij gestaag de verbondenheid met de benadering verdiepen en steeds vaardiger worden
in het toepassen van veelzijdige partijdigheid’.

zie literatuurlijst

Kijken naar mijn rol thuis en op het werk, gaf mij de mogelijkheid om te zien dat ik mezelf aan het exploiteren was, dat ik probeerde erkenning te krijgen op de verkeerde plek. Ik heb een gesprek met het management aangevraagd om mijn functie duidelijk te krijgen en de hoeveelheid aan verschillende werkzaamheden ingeperkt. Door op deze ethisch relationele manier hiermee bezig te zijn, hoefde ik me geen slachtoffer meer te voelen en kreeg ik al zoveel lucht dat het beter ging. De balans kwam in beweging. De feiten uit het verleden kun je niet veranderen, wel de manier hoe je er tegenaan kijkt en daarmee ook de daarmee gepaard gaande gevoelens.

4.8 Casus K

K is 40 jaar en oudste zoon. Hij heeft twee broers van 39 en 33 en een zuster van 30 jaar. Moeder voelt zich door grootouders slecht behandeld en miskend, vader werkt en laat de leiding over het gezin aan moeder over. Moeder kan dit niet aan en zoekt steun bij K. Hij heeft het gevoel samen met moeder het gezin te runnen, hij voelt dat het nooit genoeg en nooit goed was en voelt zich miskend en slecht behandeld. De drie jongste kinderen wonen nog thuis als moeder acht jaar geleden overlijdt. Als vader twee jaar later overlijdt wonen de twee jongsten nog thuis. Hij heeft het gevoel nog steeds vader en moeder te zijn voor zijn broers en zuster. De kontakten met de rest van de familie lopen haast allemaal via hem.

Als hij 16 is gaat hij intern in de verpleging tot hij in dienst moet. Daar krijgt hij een taak die het best te omschrijven valt als intermediair; hij zorgt voor het dagelijkse reilen en zeilen van zowel de manschappen als de leiding. Hij regelt broodjes en andere speciale zaken, tot ieders tevredenheid, hij heeft het er naar zijn zin. Na de dienst ontwikkelt hij zich tot een gewaardeerd medewerker en heeft een loopbaan bij meerdere instellingen. Momenteel werkt hij bij een asielzoekerscentrum. Hij vervangt de coördinator als die met vakantie of ziek is, neemt diensten van zieke collega’s over, werkt hard, is perfectionistisch, nooit ziek, geeft zich voor 150% en vindt dat zijn collega’s slordig werken en de coördinator niet echt goed functioneert. Zijn teamgenoten vinden hem ongrijpbaar en grenzeloos in zijn hulpverlening, hij voelt zich hierdoor miskend en slecht behandeld. Met kritiek kan hij slecht overweg, voelt zich snel persoonlijk aangesproken.

In zijn hart ambieert hij de functie van de coördinator, maar zegt niet genoeg ervaring en zelfvertrouwen te hebben voor zo’n functie. Ook in zijn relaties is hij streng en vindt dat ze perfect moeten zijn.

Tijdens het gesprek maakten we een genogram van zijn gezin van herkomst en een tweede, van de werkplek. Dat bracht steeds meer overeenkomsten aan het licht, wat K. de gelegenheid gaf om te zien wat dit voor hem betekende en wat zijn eigen aandeel hierin was. Hij voelde zich gerechtigd actie te ondernemen, heeft supervisie aangevraagd en een gesprek met broer en zus gehad.

4.9 Casus V

V is 35 jaar en de jongste dochter. De ouders hebben een moeizame relatie, waarbij zowel de kinderen als moeder mishandeld worden. Moeder is van allochtone afkomst en doof, mede hierdoor leeft het gezin enorm geïsoleerd. V. is het zonnetje in huis, het lievelingetje van vader en het witte schaap, in tegenstelling tot haar zuster. Broer is moeders oogappel. De ouders scheiden als V. 11 jaar is en ze verliest het contact met vader. Beide ouders zijn inmiddels overleden. De relatie tussen de kinderen is al jaren verstoord en er is geen contact.
Ze heeft meerdere relaties gehad en is sinds zeven jaar in een stabiele en voedende relatie.

Zij werkt al jaren in de vrouwenhulpverlening in een team van verschillende culturen. Ze voelt zich een buffer tussen zwart en blank, bij alle twee half thuis en half buitenstaander. Ook tussen de directrice en het team ervaart ze zichzelf in deze positie. Haar inzet en invoelingsvermogen is enorm, als collega en hulpverlener wordt ze enorm gewaardeerd. De directrices inzet is groot, ze werkt soms mee in de opvang en heeft voor iedereen en op alle vragen tijd. V heeft moeite met collega’s die alles eerst overleggen en werkt het liefst zelfstandig, ook vindt ze collega’s vaak te grenzeloos. Zelf zou ze het liefst sfeer voor de vrouwen creëren, koffie drinken, contact maken, gesprekken voeren en een voorbeeldfunctie hebben. Ze heeft zich een half jaar geleden overspannen ziek gemeld en is sindsdien niet meer aan het werk geweest.

Het werken met de genogrammen geeft haar de gelegenheid haar eigen aandeel in het geheel te zien en maakt haar vrij stappen te ondernemen om het contact met broer en zus te herstellen. Ze gaat op zoek naar een andere baan omdat ze het gevoel heeft de fase waarin deze vrouwen zitten zelf ontgroeid te zijn. Ze heeft het gevoel weer grip op haar leven te krijgen.

Omdat behalve V. er nog een aantal werkers al lange tijd ziek thuis zijn, lijkt het nuttig ook naar de rol van de leiding te kijken. Deze directrice vertoont zelf grenzeloos gedrag, waardoor het onwaarschijnlijk lijkt dat ze in staat is de werkers hun positieve feedback te geven, omdat ze hier zelf nog naar streeft. Doordat zij verschillende functies bezet, is het niet voor iedereen duidelijk hoe de rollen precies verdeeld zijn, wat ook stress verhogend werkt. De cliënten - die door hun verleden een behoorlijke portie aangeleerde hulpeloosheid hebben - doen in deze vorm van hulpverlening een enorm appèl op het gevende en verantwoordelijke in de hulpverlener. Het lijkt te betwijfelen of hier professionele afstand bewaard wordt.

4.10 De dialoog

Een andere mogelijkheid om de balans in beweging te krijgen geeft Marc Nevejan in zijn lezing van 15 maart 1997 over de moeite die hij had met pensioneren. Hij deed een geleide fantasie waarin hij zich realiseerde dat hij therapeut was voor zijn vader, als een geparentificeerd kind nog steeds probeerde erkenning te krijgen. Zijn therapeutschap hield zijn reeds lang overleden vader in hem zelf in leven. Het was het vaderschap dat hij voelde voor zijn cliënten en eigen kinderen. Deze fantasie gaf hem het inzicht dat hij therapeut was voor zijn vader. Hij kon nu rustig pensioneren zonder daarmee zijn vader te verliezen.

Freudenberger geeft als remedie:

‘Closeness. Dat is exact het tegenovergestelde van relaties verbreken en afstand scheppen, wat burnout patiënten juist doen. Om de nabijheid van de ander te kunnen ervaren, moet men eerst in contact komen met de eigen gevoelens. Dat kan een pijnlijk en moeizaam proces zijn. Men moet leren zich kwetsbaar en open op te stellen en de eigen problemen niet langer ontkennen. Op deze manier, aldus Freudenberger, zal het levensvuur niet langer verterend, maar verwarmend zijn’.

Dit komt sterk overeen met de ‘dialoog’ van Nagy en de uitspraak van Buber ‘Alle werkelijk leven is ontmoeting’. Bij allemaal gaat het om het zich open stellen en werkelijk contact maken.

4.11 Conclusie

Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor burnout en soms is er zelfs helemaal geen oorzaak aan te wijzen. Het is een proces waarbij fysieke, sociale en/of mentale belastende zaken tot een onoplosbaar probleem uitgroeien. Dat wil niet zeggen dat het probleem of de problemen onoplosbaar zijn, maar dat het als zodanig ervaren wordt. Destructief geparentificeerde therapeuten vormen een risicogroep om met het burnout syndroom in aanraking te komen. Zij hebben een groot aantal (risico)persoonskenmerken waardoor ze extra kwetsbaar zijn om zich aan hun eigen vuur te verwonden.

De contextuele benadering biedt de mogelijkheid om naast de gedragsgerichte interventiestrategieën op een (intergenerationeel) menselijk niveau hulpbronnen aan te boren. Het hebben van een sociaal netwerk zowel privé als op het werk, dus voldoende hulpbronnen, kan heel helpend zijn. Dat houdt in dat het ontbreken van deze hulpbron stressverhogend werkt. Het ondernemen van actie, het aangaan van de dialoog, het maken van een genogram en het gebruiken van aanwezige hulpbronnen, creëren allemaal de kansen om de verstoorde balans meer in evenwicht te brengen.

Een ethisch relationele aanpak lijkt hiermee ook preventief te zullen werken, daar therapeuten die in balans zijn en een realistische verwachting hebben, minder kans lopen in een negatieve spiraal terecht te komen en uiteindelijk (weer) burnout te raken.

4.12 Aanbevelingen

Ik zou bij het begin, bij de opleidingen willen beginnen. Het lijkt mij waardevol tijdens de opleiding tijd en aandacht te besteden aan het gezin van herkomst door middel van het maken van een genogram, zodat de aankomende hulpverleners meer inzicht in hun eigen motieven kunnen ontwikkelen.

Bovendien denk ik dat de opleidingen reële informatie over de later uit te oefenen professie kunnen geven en het niet onnodig mooier laten lijken dan het is, zodat geen onvervulbare verwachtingen gewekt worden en een oprechte beroepskeuze mogelijk is.

Voor de Voortgezette Opleidingen zou ik willen pleiten om naast het programmaonderdeel ‘gezin van herkomst’ ook tijd en plaats in te ruimen voor het kijken naar ‘het gezin van herkomst op de werkplek’. Waarmee de mogelijkheid geboden wordt om de beide genogrammen naast en over elkaar te leggen, zodat het voor de ervaren therapeuten een extra hulpbron kan zijn om op een ethische manier de eigen balans in evenwicht te brengen of houden.

Voor instellingen vind ik het heel belangrijk dat er vanuit de leiding voldoende positieve feedback gegeven wordt, zodat de therapeut weet wat er van haar verwacht wordt en zij het gevoel heeft hier zelf invloed op uit te kunnen oefenen. Ook het zorgen voor voldoende supervisie geeft mogelijkheden om de dialoog aan te gaan.

Het zou zelfs een overweging kunnen zijn om bij een sollicitatie een werkgenogram te maken om te zien of de jouw toebedachte plaats wel de rol is die je ambieert. Of vanuit de instelling gezien, of de kandidaat de balans van het team in evenwicht kan brengen.

Iedereen die zich herkent in de risicogroep, zou ik willen aanraden om zelf , in intervisie, supervisie, therapie of bij een andere hulpbron aan de balans te werken tussen zijnsloyaliteit voor het gezin van herkomst en loyaliteitsgevoelens naar het werk, zodat het plezier in gepast geven weer in evenwicht komt.

In deze context zegt Nagy:

‘Er is een niet weg te denken correlatie tussen de mate
waarin een therapeut energie investeert in de billijkheid
van zijn eigen relaties en de mate waarin hij vrij kan zijn om vertrouwen te durven investeren in een therapeutische zorgzaamheid die meer mensen omvat’.

zie literatuurlijst